Advies conceptwetsvoorstel Reparatiewet forensische zorg

De Afdeling advisering van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) heeft een advies uitgebracht over het conceptwetsvoorstel Reparatiewet forensische zorg. De RSJ constateert dat het conceptwetsvoorstel bepalingen bevat die van betekenis zijn voor de persoonlijke levenssfeer van patiënten in de forensische zorg. Daarnaast ziet de RSJ onduidelijkheden omtrent de rechtspositie van patiënten die in een andere instelling verblijven dan hun titel doet vermoeden. De RSJ adviseert tot enkele aanpassingen van het conceptwetsvoorstel en vraagt bij sommige punten om een nadere toelichting.

De minister voor Rechtsbescherming heeft medio december de RSJ gevraagd te adviseren over het conceptwetsvoorstel Reparatiewet forensische zorg. De reactie van de RSJ richt zich tot de volgende drie onderwerpen.

Verstrekking persoonsgegevens voor de beoordeling van beleid

Het conceptwetsvoorstel bevat een grondslag voor het verstrekken en verwerken van persoonsgegevens, inclusief het burgerservicenummer, voor beleidsdoeleinden van het ministerie van Justitie en Veiligheid. De RSJ adviseert de noodzakelijkheid en reikwijdte van deze regeling nader toe te lichten.

Daarnaast adviseert de RSJ om de noodzakelijke persoonsgegevens standaard te anonimiseren, tenzij dit volstrekt onvoldoende is om het te onderzoeken beleidsdoel te realiseren. Tot slot acht de RSJ een kosteloze verstrekking van (persoons)gegevens te vergaand. De RSJ adviseert daarom het invoeren van een financiële vergoeding te overwegen.

Inzage van medische gegevens door de Inspectie Justitie en Veiligheid

Een van de doelen van het conceptwetsvoorstel is een einde te maken aan discussies in de praktijk over de bevoegdheden van de Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV), met name waar het gaat om het inzagerecht bij medische gegevens. De RSJ oordeelt dat het voor de IJenV mogelijk moet zijn om medische gegevens in te zien, voor zover dat bij onderzoek naar een specifiek geval (incident) noodzakelijk is.

De RSJ acht het daarentegen niet proportioneel wanneer het medisch beroepsgeheim op grote schaal doorbroken wordt. Daarnaast adviseert de RSJ een geschillenprocedure in te richten als er geen medewerking wordt verleend, in plaats van de in het conceptwetsvoorstel voorgestelde bevoegdheid tot het opleggen van een dwangsom.

Rechtspositie van niet ter beschikking gestelden

In de situatie dat een niet ter beschikking gestelde patiënt wordt opgenomen in een instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden, is het niet duidelijk welk wettelijk kader de rechtspositie van de betreffende patiënt bepaalt.

Het lijkt de bedoeling van de wetgever te zijn geweest dat deze rechtspositie blijvend wordt bepaald door de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De RSJ wijst er (onder meer) op dat klachtencommissies, die werkzaam zijn binnen het systeem van de Wvggz, niet per definitie geëquipeerd zijn om beslissingen te nemen betreffende instellingen voor de verpleging van ter beschikking gestelden.

De RSJ adviseert daarom de rechtspositie van niet ter beschikking gestelden die verblijven in een instelling voor de verpleging van ter beschikking gestelden expliciet te verduidelijken in een wettelijke regeling.