De beroepscommissie van de afdeling rechtspraak van de RSJ heeft het beroep van een gedetineerde tegen een verlengingsbeslissing in de EBI gegrond verklaard. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (hierna: de Staatssecretaris) had het verblijf in de EBI met twaalf maanden verlengd. De beroepscommissie vindt die beslissing onredelijk en onbillijk.

Toelichting

De gedetineerde verblijft al sinds 10 april 2015 in de EBI. Een jaar geleden stelde de gedetineerde ook al beroep in tegen de verlengingsbeslissing van de Staatssecretaris.

De beroepscommissie heeft het beroep toen ongegrond verklaard maar er wel op aangedrongen dat een eventuele toekomstige verlenging van het verblijf in de EBI op voldoende actuele, betrouwbare en concrete informatie zou berusten.

Zowel de inrichting als de selectieadviescommissie - die advies hebben uitgebracht aan de Staatssecretaris - en de senior selectiefunctionaris zijn nu tot de conclusie gekomen dat de gedetineerde niet in de EBI hoeft te blijven en dat met plaatsing in een AIT de risico’s voldoende kunnen worden ingeperkt. De Staatssecretaris heeft deze adviezen naast zich neergelegd en anders besloten. De beroepscommissie oordeelt nu dat de beslissing van de Staatssecretaris onredelijk en onbillijk is, omdat met minder ingrijpende middelen kan worden volstaan om het gevaar in te perken.

De beroepscommissie heeft het beroep daarom gegrond verklaard en de bestreden beslissing vernietigd. De Staatssecretaris is opgedragen een nieuwe beslissing te nemen en aan de gedetineerde is een tegemoetkoming toegekend van €900,- voor de periode die hij ten onrechte in de EBI heeft verbleven vanaf 5 februari 2026 tot en met de datum waarop de Staatssecretaris een nieuwe beslissing moet nemen. Dit is conform de standaardbedragen tegemoetkoming van de beroepscommissie, namelijk €150,- per maand voor een verblijf in de EBI.

Lees hier de volledige uitspraak: RSJ 1 juli 2026, 26/54816/GB.