RSJ-advies: Verhoog strafrechtelijke minimumleeftijd naar veertien jaar

Deze hoofdrubriek bevat 2 rubrieken:

RSJ-advies: Verhoog strafrechtelijke minimumleeftijd naar veertien jaar

Hogere strafrechtelijke minimumleeftijd vraagt om verbetering vrijwillige of gedwongen jeugdhulp

Den Haag, 20 december 2017
In het licht van een rechtvaardige en effectieve aanpak van jeugdige delinquenten is een verhoging van destrafrechtelijke minimumleeftijdnaar ten minste veertien jaar wenselijk. Dat stelt de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) in een advies dat vandaag openbaar is geworden. De RSJ concludeert op basis van onderzoek en interviews dat vrijwillige of gedwongen jeugdhulp voor kinderen tot ten minste veertien jaar de voorkeur geniet boven het strafrecht. Dit vraagt niet alleen om een aanpassing van de strafrechtelijke minimumleeftijd, maar ook om verbetering van de jeugdhulp.

Kinderen en jeugdigen kunnen in Nederland strafrechtelijk worden vervolgd wanneer zij twaalf jaar of ouder zijn. Er vindt met enige regelmaat discussie plaats over vervolging van kinderen en jeugdigen via het (jeugd)strafrecht en de leeftijdsgrenzen die hieraan gekoppeld zijn.

De jeugdcriminaliteit in Nederland daalt: het aantal aangehouden verdachten onder twaalf- tot achttienjarigen nam tussen 2010 en 2015 met 64 procent af. Het aantal door de politie geregistreerde verdachten van twaalf en dertien jaar is relatief gering. Er is een flinke toename zichtbaar vanaf vijftien jaar.

Mede tegen deze achtergrond heeft de toenmalige staatssecretaris van Veiligheid en Justitie de RSJ gevraagd advies uit te brengen over een verhoging van de minimum leeftijdsgrens voor strafrechtelijke aansprakelijkheid.

De RSJ vindt dat aan deze vraag een fundamentele vraag vooraf gaat. Die vraag luidt: hoe wordt in Nederland omgegaan met jongeren die norm overschrijdend gedrag vertonen en daardoor in aanraking komen met het strafrecht? De RSJ heeft zich niet beperkt tot een analyse van de argumenten voor- en tegen verhoging. In het advies ‘Verhoging strafrechtelijke minimumleeftijd in context’ wordt eerst deze fundamentele vraag beantwoord en vervolgens adviseert de RSJ over zijn bevindingen.

Perspectief van strafrecht én jeugdbescherming

Voor de RSJ is het belang van rechtszekerheid het doorslaggevende argument voor het hanteren van een duidelijke minimum leeftijdsgrens. De RSJ constateert dat de verwijtbaarheid van strafbaar gedrag bij jongeren afhankelijk is van de ontwikkeling van een individueel kind. Tegelijk ziet de RSJ het belang van het hanteren van een duidelijke minimum leeftijdsgrens, een grens die hoger ligt dan de huidige. De belangen van slachtoffers kunnen ook buiten het strafrecht behartigd worden. Daarnaast zijn ouders ook in het civielrecht aansprakelijk voor schade door kinderen tot veertien jaar.

Dit advies is gebaseerd op de volgende drie hoofdbevindingen:

1. Nederland is gebonden aan het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Dit verdrag schrijft voor dat een minimumleeftijd gehanteerd moet worden waarop jeugdigen strafrechtelijk aansprakelijk zijn. Het VN-kinderrechtencomité stelt dat deze leeftijdsgrens idealiter op minstens veertien jaar ligt.

2. Een jeugdige komt pas in aanmerking om strafrechtelijk vervolgd te worden als hij competent en capabel is om de consequenties van eigen handelen te overzien. Vanuit ontwikkelingsperspectief gezien is de verwijtbaarheid van het gedrag van jongeren afhankelijk van de hersenontwikkeling en de gerelateerde ontwikkeling van functies zoals het kunnen inschatten van consequenties.

3. Om toch tot een algemeen geldende minimumleeftijd te komen, moet de leeftijd worden gehanteerd waarop een jeugdige snapt wat er in het strafrechtelijk proces gebeurt. Degene die onderworpen is aan een strafrechtelijk proces, moet minstens begrijpen wat er met hem in dit proces gebeurt. Hij moet effectief kunnen participeren in een strafrechtelijk proces. Dat houdt in dat hij als procesdeelnemer afdoende kennis en inzicht moet hebben van de aard van het strafproces, en van wat de weerslag van de procedure kan zijn. Het zou onrechtvaardig zijn iemand een strafproces te laten ondergaan dat diegene niet begrijpt. Het proces kan immers vergaande consequenties hebben. De meeste jongeren blijken pas vanaf hun veertiende te snappen wat er gebeurt in een strafrechtelijk proces. Dat geeft aanleiding om deze leeftijd als minimum te nemen. Dit is twee jaar hoger dan de huidige gestelde leeftijdgrens.

Conclusie

De RSJ is niet alleen voorstander van een verhoging van de strafrechtelijke minimumleeftijd, maar benadrukt tevens het belang van de (door)ontwikkeling van een effectieve jeugdketen.
De uitdaging is niet enkel hoe en op welke leeftijd jeugddelinquenten strafrechtelijk kunnen worden aangepakt, maar ook hoe de overheid met deze jongeren omgaat, nadat maar vooral vóórdat zij misstappen begaan. De RSJ is van mening dat verbetering van de jeugdhulp noodzakelijk is. De evidence based kennis voor een effectieve aanpak is aanwezig, maar wordt nog onvoldoende ingezet.

Einde bericht

Contactpersoon voor de pers:Maarten Uri06 - 204 408 70
Voor inhoudelijke informatie: