Bidden op de Terroristenafdeling

Deze hoofdrubriek bevat 3 rubrieken:

Bidden op de Terroristenafdeling

Klager verblijft op de Terroristenafdeling. Hij is praktiserend moslim en ziet het als zijn religieuze plicht vijfmaal per dag op de voorgeschreven gebedstijden te bidden.....

Bidden op de Terroristenafdeling

Klager verblijft op de Terroristenafdeling. Hij is praktiserend moslim en ziet het als zijn religieuze plicht vijfmaal per dag op de voorgeschreven gebedstijden te bidden. Indien de gebedstijd begint tijdens een activiteit als luchten of recreatie en een medegedetineerde roept op tot het gebed, geeft klager hieraan onmiddellijk gehoor en begint ter plekke, met andere medegedetineerden, te bidden. Hij is op dat moment niet goed aanspreekbaar.

De directeur heeft klager gewaarschuwd te stoppen met het bidden in niet daarvoor aangewezen ruimten. Klager heeft deze opdracht genegeerd waarna de directeur klager disciplinaire straffen en ordemaatregelen heeft opgelegd voor het gezamenlijk bidden in een ruimte die daarvoor niet bestemd is en het niet opvolgen van een opdracht van het personeel.

De beroepscommissie komt tot de conclusie dat het verbod te bidden in daarvoor niet bestemde ruimten geen schending oplevert van artikel 9 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De vraag of het verbieden van het bidden in niet daartoe bestemde ruimten een beperking inhoudt van klagers recht vrij zijn godsdienst te belijden wordt door de beroepscommissie bevestigend beantwoord. Deze beperking is echter , gelet op artikel 9, tweede lid, van het EVRM, gerechtvaardigd. Het karakter van de detentie brengt mee dat hieraan door de directeur beperkingen kunnen worden gesteld en deze beperkingen hebben in de Penitentiaire beginselenwet een wettelijke grondslag. Twee bidmomenten conflicteren met een onderdeel van het dagprogramma. De overige bidmomenten bevindt klager zich in zijn cel.

Nu klager in strijd met de bevelen van de directeur heeft gehandeld en is blijven handelen, zijn de aan klager opgelegde straffen en maatregelen, bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, niet als onredelijk of onbillijk aan te merken. Het beroep van de directeur wordt daarom gegrond verklaard.